BIM - Update  van april  2000       

 

1. DGA en bedrijfsspaarregelingen

 

De Hoge Raad heeft uitspraak gedaan over de directeur-groot­aandeelhouder (DGA) en de mogelijkheid om gebruik te maken van bedrijfsspaarregelin­gen. De hoofdregel om gebruik te kunnen maken van de bedrijfsspaarregeling (spaar­loon, premiesparen of winstde­lingsregeling) is, dat de regeling openstaat voor ten minste drie­kwart van de werknemers. In de regelgeving is echter een uitzon­dering opgenomen voor de DGA en zijn echtgenote, indien zij de enige werknemers binnen een onderneming zijn. Een DGA stel­de, dat deze regel in strijd was met de Grondwet. Deze DGA was uitsluitend zelf met zijn echtgenote werk­zaam in een besloten vennootschap. Volgens de inspec­teur mocht deze DGA geen gebruik maken van bedrijfs­spaarregelingen, gezien de uit­sluiting in de regelgeving. Het Hof te Amsterdam vond het verschil tus­sen ondernemingen, waarin naast de DGA nog een andere werknemer (of een andere DGA) werkzaam was en de onderneming met slechts één DGA, niet terecht. De Hoge Raad ver­nietigde de uitspraak van het Hof. Volgens de Hoge Raad stond het de wet­gever vrij om een praktisch hanteer­bare grens in de regelgeving te trekken. De bepaling waar die grens moest worden getrokken, mag de wetgever zelf bepalen. Dat deze grens in een aantal geval­len niet gunstig werkt, is in­herent aan het trekken van een grens. Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever bij het trekken van de grens niet in strijd met de Grondwet of enig inter­nationaal verdrag gehandeld. De uitsluiting in de regelgeving omtrent deelname van een DGA aan de bedrijfs­spaar­regelingen kan derhalve worden gehand­haafd, mits hij enig werknemer is.

 

2. Identificatieplicht

 

In de praktijk blijken er steeds situaties te ontstaan, waarbij onduidelijkheid is over op welke wijze een werknemer zichzelf moet identificeren. Een werknemer vond, dat het tonen van zijn identiteits­bewijs met pasfoto niet rele­vant was voor heffing van loon­belasting, en in strijd was met de bescherming van de persoonlijke levenssfeer, zoals omschreven in het Europese Verdrag voor de Rechten van de Mens. Omdat hij geen identiteitsbewijs met paspoort had willen overleg­gen, heeft de werkgever het anoniementarief van 60% ingehouden en afgedragen. In de daarop volgende procedure stelde de Hoge Raad de werkgever in het gelijk. Het stond de wetgever vrij om te bepalen, dat slechts bepaal­de identiteits­bewijzen vol­doende worden geacht. Daarbij ligt de voorwaarde voor de hand, dat er in het identiteitsbewijs een pasfoto is opgenomen. Het is anders voor een werk­gever niet mogelijk om te bepalen of de identiteit van de werknemer dezelfde is als de identiteit, zoals vermeld op het paspoort.

Een andere werkgever had de identiteit van een paar werknemers vastgesteld aan de hand van een buitenlands paspoort, doch in deze paspoorten was geen aanteke­ning van een vergunning tot verblijf in Nederland opgeno­men. De inspecteur legde een naheffingsaanslag op, op basis van het anoniementa­rief, aangezien hij de paspoor­ten niet als geldig identiteits­bewijs accepteerde. De Hoge Raad stelde de inspecteur in het gelijk.

 

Een geldig identiteitsbewijs moet voldoen aan de Paspoortwet of aan de Vreemdelingenwet. Alleen een Nederlands paspoort vol­doet aan de Paspoortwet. Om te voldoen aan de Vreemdelin­genwet, dient in het buiten­landse paspoort  een aanteke­ning te zijn opgenomen, waaruit blijkt, dat een, al dan niet voorwaardelijke, verblijfsvergun­ning is toege­kend.